begin einde
begin einde
Ga je mee naar de gynaecoloog?’ vraagt mama.
Ze heeft last van haar poes. Jeuk en droogte. Ze vraagt of ik meega, want alleen naar de dokter gaan vindt ze nooit fijn.
Ik ben 23 en heb nog geen rijbewijs, dus zij zit achter het stuur. We komen aan bij het ziekenhuis, melden ons bij de receptie en nemen plaats in de wachtkamer. Het duurt even en ik krijg trek. Aan de andere kant van de ruimte staat een snoepautomaat.
Ik heb wel zin in chips.
‘Nee, je blijft zitten,’ zegt mama.
Ze klinkt geïrriteerd, maar ik zie dat ze zich ook vermaakt.
Ik draai mijn hoofd naar haar toe en kijk haar met grote ogen aan.
Wat moet zij nou weer?
‘Die automaat staat daar voor kleine kinderen,’ zegt ze licht geirriteerd.
‘Pff. Ik pak gewoon een zak chips als ik dat wil.’
Vanaf dat moment gaat het allang niet meer over chips. Het wordt een spelletje tussen ons.
Wie geeft er als eerste toe?
Vorige maand ben ik achttien geworden
en met een huisurgentie heb ik een eigen studio kunnen huren. Mama gaat mee naar de bezichtiging. Je komt binnen in een kleine hal die eigenlijk meteen de keuken is. Rechts het aanrecht, links de badkamer en het toilet. Als je verder loopt, langs een barretje, kom je in de woonkamer. Daar kijk je ineens vier meter omhoog. Bovenin zit een entresol, mijn slaapkamer en vanaf mijn bed kan ik zo de woonkamer inkijken.
Voor een uitzet heb ik niet kunnen sparen en mama helpt me daarom met een lening bij de Stadsbank. Van mijn zus heb ik haar oude bankenstel gekregen. Mama helpt met verhuizen, schoonmaken en zorgt dat alles op zijn plek komt.
Ook met bepalen wáár die plek precies is.
‘Die kan beter daar.’
‘En dat zou ik zo zetten.’
‘Nee, draai hem eens.’
Langzaam wordt mijn huis ingericht zoals zij vindt dat het moet worden.
Ik zeg niets.
Dat hoeft ook niet.
Zonder dat we elkaar aankijken, voelt ze precies wat er in mij gebeurt. En ik voel het moment waarop zij merkt dat ik het voel. Dat kunnen we goed, mama en ik. Elkaar haarfijn aanvoelen en vervolgens geen idee hebben wat we met die informatie moeten.
‘Je moet zelf maar bepalen waar je het zet,’ zegt ze uiteindelijk, zo nonchalant mogelijk.
Ik blijf stil. Mijn gezicht strak.
Vanbinnen zit van alles door elkaar. Irritatie. Het gevoel niet gezien te worden. Alsof mij zelfs nu, in mijn eerste eigen huis, de kans wordt ontnomen om zelf te ontdekken waar ik mijn spullen wil hebben. Maar mama voelt zich óók iets ontnomen.
Ze raakt overstuur.
‘Ik kan ook helemaal niks goed doen!’
Ze vloekt, begint te huilen en vertrekt.
Ik voel me schuldig.
Ik heb het weer verpest.
Vervolgens duurt het een paar maanden voordat we weer contact hebben.
Mijn eigen plek. Het voelt onwerkelijk en verder voel ik er eigenlijk niets bij. Niet blij. Geen euforie omdat ik eindelijk op mezelf woon.
Ik ben daar gewoon.
De eerste nacht slaap ik slecht. Ik ken de geluiden van het huis nog niet en ieder kraakje houdt me wakker. Door het raam in het schuine dak valt meer licht naar binnen dan ik had verwacht. Uiteindelijk trek ik een T-shirt over mijn ogen.
Als kind had ik dat ook. Dan lag ik in bed en kwam er onder mijn slaapkamerdeur nog een minuscuul streepje licht vandaan. Zelfs dat hield me wakker.
Ik hoef nergens meer naartoe te vluchten. Niemand hoeft mij meer op te vangen of een logeerplek aan te bieden als het tussen mama en mij weer eens niet gaat. Ik heb eindelijk mijn eigen plek. Mijn eigen sleutel. Rust.
Juist daar weet ik me geen raad mee.
Wat is rust eigenlijk als je jarenlang hebt geleerd om met elkaar te overleven?
Ik ben net achttien en ik moet alles alleen doen. Mama is er, maar niet op de manier waarop ik haar nodig heb. Mijn zus verdwijnt ondertussen steeds verder naar de achtergrond.
Het praktische gedeelte is geen probleem. Boodschappen doen, koken, plannen, voor mezelf zorgen en voor mama zorgen, dat doe ik al jaren.
‘Ik heb je zo opgevoed dat als ik er niet meer ben, jij jezelf kunt redden,’ zegt mama al sinds mijn veertiende.
Ze heeft gelijk. Ik kan mezelf redden, alleen heeft niemand me geleerd wat ik moet doen met de stilte.
De rust is niet bepaald rustgevend, dus doe ik wat ik altijd heb gedaan: mezelf bezighouden. De hele week school. Maandagavond werken bij de C1000 supermarkt. Woensdagavond karate. Vrijdagavond weer karate en zelf lesgeven aan de jeugd. Zaterdag opnieuw naar de C1000.
En dan het weekend, thuis, met die vier muren. Dan ga ik studeren of ik kijk tv.
Ik studeer Marketing op een school bij ons in de stad, maar eigenlijk wil ik naar de HEBO in Den Haag: de Hogere Europese Beroepen Opleiding, voor een internationale sportopleiding. Alleen is Den Haag te ver weg.
Iedere dag heen en weer reizen is niet handig en daar op kamers gaan wonen voelt al helemaal onmogelijk.
Want wie zorgt er dan voor mama?
Ook al woon ik op mezelf en ben ik vrij om te gaan en staan waar ik wil, voelt vrijheid verdacht veel als isolatie.
Vanaf hier moet ik met vallen en opstaan mijn eigen leven bouwen. Er is niemand die me vertelt hoe het moet. Geen begeleiding. Dus leer ik door te doen. Ik maak fouten en doe daarna het liefst alsof ik ze nooit heb gemaakt. Van mezelf mag ik geen fouten maken.
Ik moet het goed doen.
Ik moet het béter doen.
Ik wil de beste zijn.
De eerste. Degene die ergens komt.
Ergens in mijn kinder- of tienerjaren heb ik mezelf namelijk iets wijsgemaakt: misschien is papa weggegaan omdat ik niet goed genoeg ben.
En mama heeft ooit verteld dat ze besloot door te gaan met haar leven vanwege mij.
Als ik niets van mijn leven maak, waarvoor heeft zij dan al die jaren gevochten?
Ik moet slagen.
Ondertussen groeit mijn sociale leven dat ik voorheen nauwelijks had. Er komen steeds meer mensen om me heen. Dat is makkelijk als je achttien bent en kunt zeggen dat je op jezelf woont.
Een klasgenoot sms’t me of hij langs kan komen. Hij heeft de auto van zijn vader meegenomen. Zijn vader weet dat alleen niet en mijn klasgenoot heeft geen rijbewijs.
Rijden kan hij blijkbaar prima. Parkeren iets minder. Ik kijk vanuit mijn raam hoe hij probeert de auto ergens tussen te krijgen. De auto gaat naar voor, naar achter, naar voor, iets naar rechts, naar achter, iets verder naar achter, weer naar links. Het duurt even.
Dit soort momenten helpen, want als iedereen weer weg is, ben ik weer alleen.
Als ik niets om handen heb, kijk ik televisie. Law & Order, Buffy the Vampire Slayer, Angel, Dark Angel, Charmed, Medium, Ghost Whisperer, Sex and the City, X-files en Nikita mijn favoriete serie. Of ik zet TMF of The Box aan. Ik luister naar muziek van Robbie Williams, Destiny’s Child, All Saints. Als er maar geluid is.
Soms staat de TV gewoon aan omwille van het aanstaan en staat er meuk op zoals het belspel of Astro TV.
Internet begint steeds groter te worden en ik heb net mijn eerste computer. Ik maak een profiel aan op een datingsite en er komen reacties. Ik antwoord altijd terug, ook als ik niet geinteresseerd ben. Stom eigenlijk.
Daten zelf vind ik niet eng, tot ik iemand écht leuk vind. Heel erg leuk.
We krijgen iets wat op het begin van een relatie lijkt en ineens gebeurt er iets waar ik totaal niet op voorbereid ben.
Ik zie geen gevaar, maar mijn lichaam blijkbaar wel. Dat rare lijf van mij weer, waar ik maar niets van begrijp.
Ik voel me licht, bijna gewichtloos, maar tegelijkertijd is mijn buik loodzwaar aanwezig. Daar giert iets doorheen wat ik niet kan plaatsen. Mijn borst knijpt samen en mijn adem voelt klein, alsof hij niet helemaal naar beneden wil. Van binnen is het chaos.
En ineens weet ik wat er door mijn hoofd spookt.
Er is vast iemand beter dan ik.
Iemand leuker.
Mooier.
lnteressanter.
De vraag is niet:
Ben ik goed genoeg?
De vraag is:
Ben ik goed genoeg voor iemand om te blijven?
Er is een geschikter KTC-pand voor mij gevonden. Ik word verplaatst van Presikhaaf naar Velp.
‘Er zit nog niemand in, dus ik mag kiezen welke kamer ik wil.
Kijk maar even rond,’ zegt de jeugdzorgwerker.
Het is een grote eengezinswoning in een rijke buurt in Velp. Vier kamers. Ik loop ze langs en kies de kamer aan de tuinkant. Een ruime kamer met grote ramen, tuindeuren en direct naast de keuken. Mijnkamer heeft witte kozijnen, een grijze vinylvloer, een inbouwkast en een schouw. Door de grote ramen kijk ik zo de tuin in. KTC: Kamertrainingscomplex. Een plek voor jongeren die door omstandigheden niet meer thuis kunnen wonen. Te jong om helemaal op zichzelf te wonen, maar te zelfstandig voor een internaat. Hier krijg je een soort spoedcursus volwassen worden, zodat je op je achttiende op eigen benen kunt staan.
Binnen een week heb ik twee huisgenoten en een week later zijn we met z’n vieren.
Alemaal zeventien.
Allemaal met ons eigen verhaal waarom we hier zitten.
Sjane is klein, blond haar en blauwe ogen. Ze is rustig en zegt niet veel.
Lieke is langer, met lang blond-rossig krullend haar en blauwe ogen. Zij is een stuk aanweziger en rebels.
Mehmet is klein, licht getint, met zwart haar en bruine ogen. Hij is rustig en trekt zich veel terug. Stiekem blowt hij veel. Als je contact met hem zoekt is hij aardig en sociaal, maar uit zichzelf zegt hij niet zoveel.
Mijn mentor is Marjolijn. Rood haar, alternatief, een beetje rebels. Ze is best wel tof.
Daarnaast hebben we begeleiders als Markita, Pim en nog een paar anderen. Alleen wisselen ze zo vaak dat sommigen alweer verdwenen zijn voordat je ze goed kent. We kunnen net zo goed onze dossiers in de krant zetten.
Elke maandagavond moeten we thuis zijn. De ene week eten we gezamenlijk en kookt een van ons voor de rest. De andere week hebben we vergadering.
Op zondag moet iedereen standaard vóór acht uur ’s avonds thuis zijn.
Echt een stomme regel, maar voorlopig doe ik er nog niks mee.
Door de week ga ik naar school, ik heb mijn karatelessen en daarnaast mijn bijbaan.
Beetje bij beetje richt ik mijn kamer in. Van de moeder van mijn klasgenoot Simone krijg ik een kleine oude grijze bank. Er komt een salontafel, een tv-kastje en een televisie. Mijn bed zet ik achter de bank tegen de muur. Ik probeer alles zo neer te zetten dat het één geheel wordt als ik de tuindeuren open. Eigenlijk wil ik een slaapbank, want dan houd ik nog meer ruimte over. Dus ik begin met sparen, eindelijk kan dat nu.
Van het KTC krijgen we iedere twee weken zakgeld, naast dat ik ook nog zelf geld verdien.
Daar zit alleen weer een regel aan. Als je te veel verdient, moet je een deel inleveren bij het hoofdkantoor van het KTC. Dus vertel ik niks. Probleem opgelost.
Een mobiele telefoon mogen we ook niet hebben. DT slaat ook nergens op. In het pand hangt één gezamenlijke telefoon waar je muntgeld in moet gooien als je wilt bellen.
En van Marjolijn, mijn mentor, moet ik nog een leerdoel bedenken.
Het duurt ongeveer drie weken voordat mijn eindeloze discussies beginnen met de begeleiding.
‘Waarom mogen wij geen mobiele telefoon hebben? Dat slaat helemaal nergens op?’
‘Omdat we niet willen dat jullie straks in de schulden komen door hoge telefoonkosten,’ zegt Sabine.
Ik kijk haar aan.
‘Is kamertraining niet bedoeld als een soort spoedtraining zelfstandig wonen?’
Het blijft even stil.
Niet lang, want ik ga verder.
‘Is het niet júllie taak om ons te leren hoe wij met een mobiele telefoon omgaan zonder dat wij in de schulden te komen?’
Mijn gezicht nu nog strakker en ik blijf haar aankijken.
De begeleider zucht geïrriteerd.
‘Het is nou eenmaal de regel.’
Ze loopt naar het kleine kantoortje in ons pand op de eerste verdieping waar onze dossiers liggen.
Die kamer zit altijd op slot.
De volgende dag is Markita er.
Nieuwe begeleider, nieuwe kans.
‘Waarom moeten we op zondagavond verplicht om acht uur thuis zijn?’
‘Omdat de week dan begint en je de volgende dag weer fris en fruitig kan beginnen.’
Mijn buik kietelt, ik heb er zin in.
‘Maar op woensdag ben ik na karate pas om elf uur ’s avonds thuis en de volgende ochtend moet ik om half negen op school zijn. Waarom mag dát dan wel, ik sta voor alle vakken een voldoende en voor gym en Engels een negen?
Ze denkt even na.
‘Ja, dat weet ik ook niet precies.’
'Hah, ik heb je'.
Een paar weken later maken we kennis met Joop. Hij is 28, behoorlijk flamboyant en vertelt al snel over zijn privéleven, waaronder dat zijn nieuwe vriend 64 is.
Moet ik hem nou voor vol aanzien?
Op een avond kom ik thuis.
Mijn afwas, die op het aanrecht stond, is weg.
Lieke heeft het al gezien.
‘Joop heeft je spullen in een vuilniszak gedaan en buiten in de tuin gezet.’
Ik kijk haar verstard aan.
‘Wat?’
Ik voel de irritatie meteen omhoogkomen.
'wacht maar.'
‘Ik heb nog tegen hem gezegd dat het er pas één dag stond. Hij had er gewoon schijt aan. Hij heeft je spullen in een vuilniszak gedaan en buiten gezet.’
De volgende dag is Joop weer in het pand.
‘Waarom heb je mijn spullen buiten gezet?’
‘Omdat je geen afwas op het aanrecht mag laten staan.’
‘Het stond er één dag.’
‘Je moet het gewoon opruimen.’
Ik kijk hem aan en ik ga ervoor.
‘De enige reden waarom jij mijn spullen buiten hebt gezet, is omdat je stoer wilt doen bij je nieuwe collega’s.’
Een paar dagen later heb ik mijn wekelijkse check-in met Marjolijn.
‘Heb je al een leerdoel?’
‘Nee.’
‘Wil je leren schoonmaken? Koken? Budgetteren? Hobby ontdekken?’
Ik haal mijn schouders op en schud een beetje met mijn
hoofd.
‘Nee. Dat doe ik allemaal al.’
Marjolijn kijkt me aan.
‘Goed. Dan heb ik een leerdoel voor je.’
Ze zegt het behoorlijk besluitvaardig.
‘Jij gaat leren vaker ja te zeggen en minder nee.’
Ze kijkt erbij alsof ze me eindelijk in de hoek heeft gedreven.
Eventjes ben ik stil.
‘Nee.’
Meer zeg ik niet.
‘Denk er maar even over na. Dan komen we er de volgende keer op terug.’
Zodra ik boven ben loop ik naar de kamer van Lieke.
‘Lieke! Lieke!’
‘Wat is er? Wat is er?’, ze doet haar deur open.
‘Weet je wat Marjolijn mij voor leerdoel heeft gegeven?’
‘Wat dan?’
‘Ik moet vaker ja zeggen en minder nee.’
Haar gezicht verandert meteen.
‘Dus omdat zij jouw argumenten niet aankunnen, die overigens terecht zijn, moet jij maar je bek houden?’
Ik kijk haar aan.
‘Weet je wat ik heb gezegd?’
‘Wat?’
‘Nee.’
Lieke begint keihard te lachen.
Ik ook.
Mama is gevraagd om op een festival in Groningen te werken. Ze heeft geregeld dat ik daar ook aan de slag kan, in de bediening.
‘Ik heb geregeld dat je dat weekend gewoon cash krijgt uitbetaald,’ zegt mama aan de telefoon.
Het weekend komt steeds dichterbij. Tegen de tijd dat we moeten vertrekken, heeft ze geen geld voor benzine en het hotel.
‘Kan ik dat van jou lenen?’ vraagt ze.
Ik leen haar het geld dat ik heb gespaard. Zo gaat dat nou eenmaal tussen ons.
Groningen is mijn geboortestad. Het is ook de stad waar mijn vader woont. Een man die ik niet ken.
Als kind heb ik me vaak afgevraagd hoe hij eruitziet. Of hij mij zou herkennen als ik ooit door de stad zou lopen en we elkaar toevallig tegenkwamen. Zou hij mij warm ontvangen? Zou hij blij zijn om mij te zien? Of juist helemaal niet? Wat zou hij tegen me zeggen?
De dag dat we naar Groningen vertrekken, krijgen mama en ik ruzie. Ze is gestrest en reageert dat op mij af.
‘Je bent niet goed bij je hoofd,’ slinger ik terug.
Ik pak mijn racefiets en fiets naar mijn eigen huis.
Opeens merk ik dat er een auto langzaam naast mij rijdt. Het is mama. Ze wil een wapenstilstand en dus vertrekken we alsnog samen naar Groningen.
En daar, op het festivalterrein, zie ik hem ineens in de verte.
Mijn vader.
Hij draagt een zonnebril en is met andere mensen en kinderen. Zijn houding is rechtop, zijn kin iets omhoog. Er zit iets verhevens in zijn houding. Iets afstandelijks.
Mama loopt van het podium naar me toe.
‘Paul is hier.’
Ze zegt het alsof ze me waarschuwt dat er iemand is die wij liever niet willen zien.
‘Als hij hier komt zitten om te eten, doe je net alsof je hem niet kent. Dan zeg je: “Kan ik u helpen, meneer?”
Ik kijk om me heen. Over het hele festivalterrein staan eetkraampjes. Genoeg plekken waar hij iets kan halen, genoeg tafels waar hij kan gaan zitten. De kans dat hij bij mij terechtkomt, lijkt me klein.
Ik negeer wat mama zegt. Ik weet niet eens wat ik tegen hem zou willen zeggen.
Hoi pap?
Ik ga verder met bedienen tot ik hem later zie zitten aan de achterste tafel van onze eetstand.
Mijn collega, een meid van mijn leeftijd, heeft hem ook gezien. Voor haar is hij gewoon een klant die zit te wachten. Ze loopt alvast naar hem toe en ik blijf bezig met wat ik aan het doen ben.
Dan vraagt iemand van de organisatie of ik even kan helpen om drank uit de wagens te tillen.
Ik ga mee. Ergens komt het me eigenlijk wel goed uit.
Even hoef ik niet na te denken over die tafel. Niet over wat mama heeft gezegd. Niet over wat ik zelf zou willen zeggen. Niet over de vraag of mijn vader überhaupt weet dat zijn zoon een paar meter verderop tafels staat te bedienen.
Als ik terugkom, kijk ik naar de achterste tafel.
Hij is al weg. Onze paden kruisen elkaar niet.
Mama komt naar me toe.
‘Ik heb tegen jou gezegd dat je naar zijn tafel moest lopen en moet doen alsof je hem niet kent,’ moppert ze.
Dat heb je helemaal niet gezegd.
‘Nou heb je die meid jou voor laten gaan.’
Ik kijk haar aan.
Je hebt nooit gezegd dat ik erbovenop moest duiken.
Alsof ik zojuist een opdracht heb verpest waarvan ik niet wist dat het een opdracht was.
Niemand vraagt wat ík nou wil.
“Wil ik eigenlijk wel weten wie hij is?’
Wil ik dat hij weet wie ik ben?
Ik voel van alles maar weet niet wat het betekent, dus negeer ik het.
Het festivalweekend komt ten einde. Mama brengt me met de auto naar huis.
Wanneer ik uitstap, zegt ze nog:
‘Niks tegen de begeleiders zeggen.’
Deze zomer werk ik veel.
Op maandag werk ik van acht uur ’s ochtends tot half zes ’s avonds. Op zo’n maandag haast ik me naar huis omdat ik nog moet koken en eten voordat onze gezamenlijke vergadering begint.
Ik bak twee hamburgers. Buiten staat de tuintafel en iedereen zit er al.
Ik ga zitten en begin te eten.
Het is 17.59 uur.
Onze vergadering begint officieel om 18.00 uur, al nemen ze het daar normaal gesproken niet zo nauw mee. Soms beginnen we pas om kwart over zes.
‘We gaan beginnen met de vergadering,’ zegt Pim.
En zegt dat ik mijn eten weg moet zetten.
Iedereen aan tafel is stil
‘Ik wil mijn eten opeten.’
‘Je weet dat we altijd om zes uur vergaderen, dus je zet je eten maar opzij.’
Mijn keel trekt zich dicht. Dat rare lijf van mij weer, het probeert iets te vertellen maar ik snap de taal niet
Eén ding weet ik wel.
Dit escaleert
‘Nee.’
Pim kijkt terug.
‘Je mag kiezen. Of je doet mee met de vergadering en zet je eten weg, óf je eet je eten op je kamer en neemt niet deel aan de vergadering.’
Dat is makkelijk.
Ik pak mijn bord en ga naar mijn kamer.
Niet veel later wordt er op mijn deur geklopt
‘Synoniem naam
Ik reageer niet.
Weer geklop.
‘Doe de deur open.’
Ik doe niks.
Ik eet verder.
Er wordt nog een keer geklopt, ik negeer hem compleet.
Als mijn hamburgers op zijn, ga ik weer naar buiten en neem plaats aan de tuintafel.
Pim kijkt me aan.
‘Jij hebt besloten om je eten op je kamer op te eten. Daardoor gaat deze vergadering niet door. Hij wordt verplaatst naar morgen en dat is jouw schuld.’
Er valt opeens een kalmte over me heen en ik zag zacht maar krachtig:
‘Jij bent een kut-begeleider.’
Later die avond is Pim weg.
Lieke komt naar me toe.
Ze is kwaad.
‘Hij had gewoon kunnen zeggen: wacht even met koken tot na de vergadering. Hij zat er gewoon op te azen. Dat zagen wij allemaal.
Een week later kom ik thuis.
Ik doe mijn deur open en zie iets op de grond liggen.
Een papiertje.
Ik pak het op.
Er staat een afspraak op voor de volgende dag.
Het hoofdkantoor wil weten wat mijn verwachtingen van kamertraining zijn. Als ik niet bij de afspraak kan zijn, moet ik bellen. Als ik niet kom opdagen, krijg ik een time-out van twee weken en wordt het slot van mijn kamerdeur vervangen.
Ik lees het nog een keer. Het is inderdaad morgen al, maar dan kan ik niet.
Ik heb die donderdag met mama afgesproken.
Donderdag ben ik bij mama.
We bellen het hoofdkantoor.
Eén keer.
Geen antwoord.
Nog een keer.
Niks.
We blijven bellen.
Uiteindelijk hebben we zeker tien keer geprobeerd te bellen.
Niemand neemt op.
‘We hebben gedaan wat er van je gevraagd wordt,’ zegt mama.
De volgende dag fiets ik naar huis.
Ik steek mijn sleutel in het slot.
Hij past niet.
Ik probeer het nog een keer.
Nog steeds niet.
Lieke staat op de trap.
‘Ze hebben je slot vervangen.’
Ik draai me om.
‘Wat?’
Mijn hele lijf voelt ineens lichter aan. Alsof mijn voeten de grond niet meer raken.
‘Ik heb gisteren tien keer gebeld.’
Ik bel mama.
‘Mam, ze hebben mijn slot vervangen. Ik kan mijn kamer niet in.’
‘Ik krijg net bericht van ze. Wat bedoelen ze met een time-out?’
‘Ik moet twee weken oprotten en daarna mag ik weer terug.’
Het is even stil.
Dan ontploft ze.
‘Wát? Trappen ze jou gewoon op straat? We hebben gisteren gebeld!’
‘Heb je niks gezegd?’
‘Jawel. Maar Sandy doet niks.’
Sandy zit ondertussen boven in het kantoortje.
‘Ik kom eraan,’ zegt mama. ‘En jij blijft waar je bent.’
Nog geen twintig minuten later zie ik in de verte haar auto aankomen.
Met een aanhanger erachter.
Ze heeft de buurvrouw ook meegenomen. Die rijdt met haar eigen auto.
Mama stapt uit.
‘Waar is ze?’
Ze is razend. Er is geen land met haar te bezeilen.
Sandy hoort het en komt naar beneden.
‘Mevrouw, uw zoon heeft een time—’
Verder komt ze niet.
‘Doe die deur open!’ schreeuwt mama.
‘Mevrouw, als u even naar mij—’
‘DOE - DIE - DEUR - OPEN!’
Harder deze keer. Dreigender.
Sandy probeert opnieuw.
‘Mevrouw, als u zo doet, dan—’
‘Dan wat?’ Mama kijkt haar recht aan
‘Weet je wie ik ben? Heb je zijn dossier gelezen? Dan kun je maar beter die deur openmaken.’, mama wijst naar haar gezicht.
Sandy doet een paar stappen achteruit richting de trap.
‘Mevrouw, als u eerst even afkoelt—’
Dat had ze nou net niet moeten zeggen.
‘Ik tel tot tien. En als je dan niet gauw maakt dat die deur op is…’, dreigt ze harder.
Sandy kijkt haar aan.
Ze weet duidelijk niet wat ze met de situatie aan moet.
Mama begint
‘Tien.’
Stilte.
‘Negen.’
Haar ogen worden groter.
‘Acht.’
Ze kijkt Sandy aan alsof ze haar persoonlijk verantwoordelijk houdt voor alles wat hier ooit is misgegaan.
‘Zeven.’
‘Ik ga even het hoofdkantoor bellen,’ zegt Sandy.
Ze draait zich om en loopt zo snel mogelijk de trap op naar het kantoortje.
Mama’s buurvrouw staat erbij met haar armen over elkaar en een grijns op haar gezicht.
‘Nou,’ zegt ze, ‘ik ben benieuwd hoe lang zij hier nog blijft werken.’
Even later komt Sandy weer naar beneden.
Ze maakt mijn deur open.
Mama en Sandy staan tegenover elkaar. Nog geen armlengte van elkaar vandaan.
Mama staat stokstijf, kijkt haar recht in de ogen en wijst naar haar.
‘Dit is de beste keuze die jij ooit hebt gemaakt.’
Ze kijkt Sandy nog één keer van onder naar boven.
Dan draait ze zich naar mij.
‘Breng al je spullen naar de auto en de aanhanger.’
Dus dat doe ik.
Mijn spullen gaan naar buiten.
Mijn kamer wordt leger en leger.
De bank.
Mijn televisie.
Mijn kleding.
Mijn beddengoed.
Alles wat ik de afgelopen maanden bij elkaar heb verzameld om van die kamer iets van mezelf te maken, verdwijnt in de auto en de aanhanger.
We rijden weg, naar mama's huis.
‘We moeten het maar even met elkaar uithouden,’ zegt ze. 'Over een paar maanden ben je achttien en begint je opleiding. Dan vraag je huisurgentie aan een uitwonende studiebeurs.’
Het KTC ligt achter mij.
Ik houd me niet aan de regels tijdens natuurkunde.
De leraar heeft nadrukkelijk gezegd dat er geen kauwgom gekauwd mag worden. Om me heen verdwijnen stukken kauwgom in de prullenbak.
Die van mij niet.
Natuurkunde is sowieso niet een van mijn favoriete vakken. Ik heb voor mijn laatste toets echt mijn best gedaan en haal alsnog een vier.
Ik snap er geen reet van.
Interessant vind ik het ook niet.
‘Jesaja, ik heb nadrukkelijk gezegd: geen kauwgom.’
Kut. Hij heeft me door.
‘Voor jou twee A4’tjes strafwerk.’
Meer uitleg krijg ik niet.
Dus schrijf ik thuis twee A4’tjes strafwerk en binnen tien minuten ben ik klaar.
Ik ben geïnspireerd, waar ik dat ineens vandaan haal weet ik niet.
Twee dagen later hebben we weer natuurkunde. Vol trots geef ik mijn strafwerk aan de leraar.
Het gaat ongeveer zo:
Ik kauw kauwgom in de klas omdat ik me daardoor beter kan concentreren. Dat is heel belangrijk, zeker bij zo’n saai vak als dit. Als u ons gewoon kauwgom laat kauwen, halen we misschien ook betere cijfers.
Alle kauwgom bewaar ik. Ik plak het onder mijn tafel totdat ik er genoeg heb. Daar maak ik een grote skippybal van. Dan ga ik daarmee door de hele wijk skippyballen en zwaai ik naar de buren.
Ik schrijf ook nog iets over kauwgom waar plaatjes bij zitten die je als tattoo op je arm kunt plakken.
En dan mijn conclusie:
Verder is het aan te raden dat iedereen kauwgom kauwt. Zeker een aantal leraren hier op school, want die stinken uit hun bek.
Mijn leraar begint te lachen. Niet een klein beetje.
‘Deze is te goed om niet voor te lezen.’
Hij leest mijn strafwerk voor aan de hele klas. Ik krijg applaus.
Blijkbaar ben ik beter in strafwerk dan in natuurkunde.
Mijn zus vindt ondertussen dat ik bijdehand ben geworden.
Ze is zesentwintig, tien jaar ouder dan ik. Eigenlijk is ze mijn halfzus, maar zo hebben wij elkaar nooit gezien. Ze is serieuzer en verstandiger en ze bemiddelt tussen mama en mij.
Of ze dat nou wil of niet. Dat is haar rol geworden.
Sinds ik bij haar woon, heeft ze bovendien meer over mij te zeggen.
‘Je bent bijdehand geworden,’ zegt ze. ‘En soms iets te brutaal.’
Ze moet mijn strafwerk eens weten.
‘Mama heeft verteld dat je soms wel een hele grote mond hebt.’
‘Heeft zij ook.’
Mijn zus kijkt me aan. Even zegt ze niets.
Dan zucht ze en rolt met haar ogen.
Ik woon inmiddels ruim anderhalf jaar bij haar en haar vriend.
Echt leuk vind ik het niet.
Wel fijner dan thuis.
Mijn zus is een beetje strenger dan mama en consequenter. Soms lijkt het alsof ze de moeder probeert te zijn die ze zelf heeft gemist.
Maar ik ben haar kind niet en misschien is dat het wat ik voel.
Ik voel me een last voor haar en haar vriend. Alsof ik iets van hun leven inneem. Dat ik ze belemmer, dus zorg ik dat ik zo min mogelijk thuis ben.
Ik ga naar iedere karateles die er is en op zaterdag werk ik.
Zo nu en dan logeer ik ook een paar dagen of een beetje langer bij mama. Mijn kamer heb ik daar nog. Wanneer ik bij mama ben dan doen we een spelletje of kijken we samen een film. Mama ligt dan op de ene bank en ik op de andere. Halverwege kijk ik naar haar.
Door haar bril kan ik niet goed zien of haar ogen nog open zijn.
‘Je bent in slaap gevallen.’
‘Nee hoor,’ zegt mama met een grijns op haar gezicht.
Ik kijk weer naar de televisie.
Nog geen vijf minuten later hoor ik haar snurken en zie ik kwijl langs haar mondhoek naar beneden druipen.
Soms staan we nog lijnrecht tegenover elkaar. Mama kan dagenlang op bed liggen. Me dagenlang negeren. Of haar pijn komt er in woorden uit.
"Ik ga op de treinrails liggen en neem een strip slaappillen, zodat ik er niks van merk", vertelt ze een keer.
Of: 'Als ik jou niet had, dan had ik er allang een einde aan gemaakt'.
Tijdens een andere ruzie schreeuwt ze:
‘En nou denkt opa dat ik degene ben die moeilijk doet en mag ík dat kruis dragen voor de hele familie.'
Ik zeg niks.
Ik voel haar pijn.
Alsof ik een stukje ervan over neem.
En ik niet dan?
Ook al kunnen mama en ik inmiddels iets beter met elkaar overweg, moeten we nog uitvinden hoe we met elkaar om moeten gaan.
Laatst zitten we met z’n vieren in de auto. Mama achter het stuur, mijn zus en haar vriend erbij en ik op de achterbank.
Mama is helemaal in haar sas.
‘Ooooh, weet je wat ik heb gezien?’, ze klopt enthousiast met haar handen op het stuur.
‘Het licht?’ zeg ik vanaf de achterbank.
Het wordt stil. Een paar seconden maar.
Mama’s gezicht verandert. Haar kaak zakt iets naar beneden en vanuit haar ooghoeken kijkt ze naar mijn zus.
Mijn zus ziet het ook.
‘Nou mam,’ zegt ze. ‘Je moet toegeven. Dat was een goeie.’
Daar is ze weer.
De bemiddelaar.
Het RIAGG en bureau jeugdzorg heeft geadviseerd dat ik bij mijn zus intrek.
Op school weten ze dat het thuis niet goed gaat en dat ik bij mijn zus woon, maar verder tonen de leraren en mijn mentor in mij geen interesse.
Voorheen woon ik vijf minuten van school. Nu moet ik eerst met de trein en daarna met de bus.
En ik haat vroeg opstaan.
Bij mijn zus krijg ik de logeerkamer. Veel hoef ik niet mee te nemen, want zoveel heb ik niet.
Een paar kleren en twee paar schoenen.
Mama zit in de bijstand en geld is er nooit genoeg. Aan het einde van de maand is het regelmatig op. Soms spring ik bij met het beetje dat ik zelf verdien. Al een paar jaar neem ik elke maand voor mama al het geld van haar rekening op. Waarom ze dat wil, weet ik eigenlijk niet.
We hebben ook soms een woordenwisseling over mijn kleren.
‘Je kunt toch leuke kleren bij de kringloop halen?’ zegt mama een keer.
De kringloop.
Gadver.
Alsof ik het op school nog niet moeilijk genoeg heb.
Ik kijk naar mijn klasgenoten. Zij krijgen de nieuwste Nike Air Max van hun ouders. Een Australian trainingspak. Sommigen een scooter.
Wat me vooral kwaad maakt, is dat mama voor zichzelf wel heel vaak nieuwe kleren koopt. De helft daarvan verdwijnt in de kledingkast met het prijskaartje er nog aan of ik mag het terugbrengen omdat het geld op is.
Thuis zijn er geldzorgen, waarover ik niet mag praten.
Op school ben ik stil en ben ik vaker alleen dan met anderen. Als de pauze dichterbij komt, begint mijn lijf licht te tintelen. Dus ga ik maar even weg, zodat niemand ziet dat ik alleen ben. Er gaat van alles in mij om waar ik met niemand over praat.
Mijn lijf vind ik maar raar. De verhoudingen lijken ineens niet meer te kloppen. Ik ben me daar hyperbewust van, vooral van mijn onderlijf. Daarom draag ik lange truien en T-shirts die over mijn billen vallen. Mijn lijf irriteert me en ik vind mezelf lelijk.
Mijn haar helpt ook niet mee. Een dikke, donkerbruine, sluike bos die altijd naar beneden zakt, welke gel ik er ook in smeer. In de zomer wordt het rossig en verschijnen er sproeten onder mijn ogen. Waarom krijg ik er dit ook nog bij?
Waarom krijg ik er dit ook nog bij?
Maar het blijft niet bij mijn lijf. Ergens rond die tijd kom ik bij het RIAGG terecht. De geestelijke gezondheidszorg voor kinderen en jongeren.
Mama en mijn zus zijn mee. Ik weet alleen dat we naar een speciale instantie gaan en dat het om mij gaat. Wat daar precies de bedoeling van is weet ik niet. Mijn zus heeft wel wat laten vallen. Ze willen mijn niveau weten. Dat we diezelfde dag nog de uitslag krijgen, heeft niemand mij verteld.
We melden ons bij de balie en een vrouw komt me ophalen. Ze is wat ouder en heeft kort grijs haar. Meteen probeert ze mij op mijn gemak te stellen en komt warm over.
‘We gaan wat testjes doen en je krijgt ook wat vragen op papier. Je mag gewoon heel eerlijk zijn. Er is geen fout antwoord, we zijn hier om jou te helpen.’
Ik krijg puzzels en houten figuurtjes die ik in de juiste vakjes moet leggen.
Dat heb ik zo gedaan.
Daarna krijg ik een stencil waarop ik lijnen moet trekken. Binnen de lijntjes blijven tot ik het eindpunt bereik. Ook geen probleem.
Dan krijg ik stencils met een heleboel vragen. Onder andere:
Hoe slaap je? Goed. Matig. Slecht. Weet niet.
Ik ben vaak blij? Vaak. Soms. Nooit. Weet niet.
Ik maak me vaak zorgen? Vaak. Soms. Nooit.
Ik maak me vaak zorgen om mijn moeder? Vaak. Soms. Nooit.
Ik val op jongens (we gaan vertrouwelijk met je antwoorden om, we vertellen niks zonder overleg). Ja. Nee. Weet niet.
Dit zijn de vragen die me zijn bijgebleven.
Mijn antwoorden ook.
Slecht.
Soms.
Vaak.
Vaak.
Nee.
Na de test moeten we wachten in de hal. Even later komt een mevrouw mama en mijn zus ophalen.
Ik moet blijven zitten.
Dus dat doe ik. Ik zit er rustig bij. Mijn gezicht zonder uitdrukking.
De deur van de kamer staat op een kier. Ik kan de benen van mijn zus nog net zien. Mama niet.
Maar ik hoor hun wel.
‘We hebben de uitslag en er is goed nieuws. Misschien niet wat jullie hadden verwacht. Er is niks aan de hand met zijn niveau. Alle scores vallen binnen de norm.’
Ze kijkt naar mama.
‘Wat wel erg opvalt, is dat hij slecht slaapt en zich heel veel zorgen maakt om u.’
Even is het stil.
‘Dus het ligt weer allemaal aan mij?’ roept ze.
Ze huilt. Ze is verdrietig.
Onderweg naar huis is het stil in de auto.
Mijn zus gaat naar haar eigen huis en ik blijf thuis achter met mama.
Thuis blijft het stil.
Bijna een jaar later ben ik nog maar net veertien als mama me naar een proefles karate brengt.
We lopen richting de dojo om ons bij de leraar te melden. De sensei komt naar ons toe en
mama stelt zichzelf voor, daarna mij.
Heel even zakt zijn onderkaak. Zijn ogen worden groter.
Hij kijkt naar mama. Naar mij. Weer naar mama.
‘Ik denk dat het beter is als hij met de volwassenen meedoet,’ zegt hij met een voorzichtige glimlach.
Die glimlach verdwijnt alweer en hij schudt zijn hoofd.
‘Zijn bouw is niet echt geschikt voor de jeugdgroep.’
Mama draait haar hoofd een klein stukje mijn kant op, kijkt vanuit haar ooghoeken naar me en zucht. Alsof ze het allang wist, maar niet had verwacht het hier te horen.
‘Oké. Dan wachten we een uurtje.’
Kennelijk zie ik er allang niet meer uit als veertien.
Mijn lijf heeft kennelijk besloten maar even op te schieten met alles.
Ik ben de jongste bij de volwassenen. Na mij komen twee jongens van achttien. De rest is in de twintig of ouder. De proefles bevalt me prima en mama koopt een karatepak voor me.
Karate gaat me goed af. Beter dan goed. Ik ben de beste. Mijn atletische lijf helpt mee. Drie keer per week train ik.
Mama komt zo nu en dan.
Ik vind het leuk als ze komt kijken. Mama is trots op mij. Even zie ik gewoon een moeder.
Thuis gaat het zoals het al een hele poos gaat.
Soms heb ik het idee dat ik bijna alles moet doen in huis.
Dagelijks haal ik boodschappen. Mama maakt een lijstje en ik krijg geld mee. In de supermarkt blijf ik uitrekenen wat alles bij elkaar kost, zodat ik zeker weet dat ik bij de kassa genoeg geld heb.
Daarna loop ik met zware boodschappentassen naar huis. Onderweg kom ik de overburen tegen. Die zijn er inmiddels wel aan gewend om mij heen en weer te zien lopen.
Als de deurwaarder aanbelt, moet ik me van mama achter de bank verstoppen. We doen alsof er niemand thuis is.
Ik stofzuig. Ik kook als mama niet kan. Ik ga naar het postkantoor. Of met een haar kassabon iets terug brengen naar een winkel.
Eén keer per week maakt mama zwart schoon bij iemand, een paar wijken verderop. Vaak vraagt ze of ik meega om te helpen. Dus ga ik mee.
Soms heb ik gewoon geen zin meer. Dan ben ik op.
Als ze me dan de volgende dag weer iets vraagt, is aan mijn gezicht te zien wat ik ervan vind.
Ze wordt boos.
‘Ik vraag je maar één ding!’ schreeuwt ze terwijl ze me strak aankijkt.
Eén ding?
Ik zeg niks. De spanning loopt op.
De kamer voelt ineens te klein. Mijn lijf stopt met ademen en ik kijk haar ook strak aan.
‘Weet je wel wat ik allemaal heb moeten doen om jullie te eten te kunnen geven? Ik heb een keer oud brood uit de prullenbak moeten halen en met het beetje melk dat ik nog had een prakje gemaakt, zodat jij als baby wat te eten had!’En ik heb nog veel meer moeten doen!
Ze zegt niks meer. Kijkt me niet meer aan. Dus ga ik naar mijn kamer.
Een paar weken later gaat het weer mis.
‘Kutwijf!’ schreeuw ik en gooi de voordeur achter me dicht.
Ik loop weg. Voor de zoveelste keer. Naar mijn zus.
Ze werkt in een kledingwinkel in de stad, in een zijstraatje waar het meestal rustig is. Ik ben nog maar net binnen en voor het eerst huil ik.
Mijn lijf laat het ineens los. Mijn zus houdt me vast en troost me.
Een paar dagen later vraagt ze of ik een stukje met haar meeloop. Haar fiets loopt aan haar hand mee. Onderweg begint ze over mama.
‘Mama is een beetje ziek,’ zegt ze. ‘Niet ziek zoals mensen meestal ziek zijn. Het zit meer in haar hoofd. Psychisch. Ze is manisch en soms heeft mama depressieve buien.’Dan heeft ze even tijd voor haarzelf nodig.
Dus daarom lag mama laatst een paar dagen op bed.
Op een ander moment is mama rustig. Hoe we erop komen, weet ik niet meer. Ze vertelt over vroeger. Over de vader van mijn halfbroer. De oudste van ons allemaal.
‘Ik moest trouwen van opa en oma. Vooral van oma. Ik was negentien toen ik zwanger werd van je broer. Oma gaf me de keuze: trouwen of naar het klooster. Dus ik trouwde.
En hij sloeg me. Niet zomaar. Hij liet me op een stoel zitten. Dan deed hij voor mijn ogen zijn ringen af en kreeg ik ervan langs. Een keer heeft hij mij in de buik getrapt toen ik zwanger was. Ik heb een moeilijke bevalling gehad. Meerdere keren ben ik weggelopen. Terug naar huis. Maar oma stuurde me iedere keer terug.
Ik blijf niet bij een man die mij slaat! Uiteindelijk ben ik gevlucht en heb ik je broer meegenomen, naar de vrouwenopvang. Ik was bang dat hij jouw broer ook wat zou aandoen. Zo klein als hij was. Hij hield vaak niet op met huilen.
We zijn drie maanden getrouwd geweest. Daarna ben ik van hem gescheiden.
Dat is me altijd kwalijk genomen.Mijn scheiding was een schande voor de familie, want scheiden deed je niet in die tijd.'
Ze vertelt ook dat ze in de gevangenis heeft gezeten toen ze zwanger was van mij. Dat ze met zeven maanden zwangerschap vrijkwam. Dat ze na mijn geboorte met mij naar een Blijf-van-mijn-lijfhuis ging. Mijn vader gebruikte drugs en thuis kwamen voortdurend andere gebruikers over de vloer. Maar dit moment was niet zo rustig.
Ze kijkt me aan.
‘Noem het en ik heb het meegemaakt!’
Het klinkt niet als een vraag. Ze wil dat ik iets noem.
‘Nou zeg dan’, ze daagt me uit.
Ik denk dat ik het weet.
‘Een miskraam.’
Even zegt ze niks. Ze kijkt me aan alsof ik iets weet wat ik niet kan weten.
‘Nou, dat toevallig weer niet. Maar dat is dan ook alles!’
‘En wat ik heb gedaan, heb ik gedaan! Ik heb gedaan wat ik moest doen! Ik had drie monden te voeden. Jullie vaders waren er niet.”
De volgende dag is ze kalm. Maar nog niet helemaal de oude.
‘Soms denk ik dat ik dood beter af ben.’, zegt ze terwijl ze als een zombie door de woonkamer loopt. Ik schrik niet van haar woorden, maar voel iets wat ik niet ken.
Dat denk ik ook. Ik wil niet dat je lijdt, mama.
Mama en ik zijn op een verjaardagsfeestje van haar zus. Ik zit te spelen met mijn nichtje Isa. Zij is vijf jaar oud en ik ben een jaar jonger. Opeens zie ik mama naar me toe lopen. Ze huilt en is duidelijk overstuur. Zo heb ik haar nog nooit gezien. Ze pakt me bij mijn arm.
‘We gaan naar huis,’ zegt ze.
‘Maar we zijn er nog maar net,’ zeg ik.
Door mijn reactie raakt ze nog meer overstuur en begint ze harder te huilen. Haar gezicht zit vol tranen. We gaan weg. Hierna zie ik de familie niet meer.
Hoe de dagen, weken of maanden elkaar opvolgen, weet ik niet precies. Het is één grote waas geworden. Paul zie ik niet meer. Mijn zus niet. Mijn broer ook niet.
‘Jesaja,’ zegt mama. ‘Je gaat een poosje bij Mia en Henny wonen. En soms ook bij juffrouw Ingrid. Mama moet even weg, tot rust komen en weer beter worden.’
Mia en Henny zijn de ouders van een klasgenootje uit de kleuterklas. Ingrid is mijn kleuterjuf. Ze woont soort van alleen, want haar vriend Frank zit in het leger.
Nu zie ik mama dus ook niet meer. Iedereen is weg.
Maandenlang woon ik bij mijn pleeggezinnen.
Op een dag zegt Mia dat we mama gaan bezoeken. Dat we naar het Derde Orde-huis gaan, weet ik niet. We komen binnen op mama’s kamer. Ze ligt op bed, onder de dekens. Er zit weinig beweging in haar, maar ze is wel wakker. Ik zit bij mama op bed. Henny en Mia praten met haar. Of het lijkt daar in ieder geval op.
Het is vaag om me heen. Of misschien wel in mezelf.
‘Het is tijd om te gaan, Jesaja,’ zegt een van de twee.
Dan gebeurt er van alles in mijn lijf.
Paniek. Ik begin te huilen. Ik krijs.
Iemand wil me oppakken, maar ik houd me stevig vast aan mama. Ik huil nog harder. Krijs nog harder.
‘Neeeeee! Neeee!’
Ik houd mama nog steviger vast en trap met mijn benen naar achteren als iemand me probeert op te pakken. Ik wil niet weg. Ik wil bij mama blijven. Ik wil mama niet kwijt.
Maar ik ben niet sterk genoeg. Te klein. Buiten adem. Ons bezoek is voorbij.
Mama is weer thuis.
Vanmiddag zitten we boven op zolder. Mama zit achter de naaimachine. Ze maakt kleren die ze aan een winkel verkoopt. Ook maakt ze kleren voor zichzelf en voor mij.
Terwijl ze naait, zit ik op tafel. Ik zing en mama neemt me op met de cassetterecorder.
‘Ik zag twee tieten pijlen schieten. O , dat was een woooonder. Boven wonder, onder wonder, dat die tieten pijlen schieten. Hihihi, hahaha, stond erbij en ik keek ernaar.’
Ze is het een beetje zat. Ik zing het nu al voor de tiende keer.
‘Nu een keer een ander liedje, Jesaaj.’
‘Ik zag twee bijen samen vrijen. O, dat was een wooonder.’
Zo gaan we samen nog wel even door. Op zolder is het altijd gezellig met mama.
Er ligt daar ook een vuilniszak vol foto’s en briefjes. Daar mag ik niet in kijken.
Mama is klaar met naaien en het is tijd om te eten. Ze wil dat ik vlees eet. Of vis.
Maar ik wil geen vlees en geen vis. Kip wel, zolang er geen bot aan zit. Ik vind dat allemaal maar vies en raar. Alleen groente en fruit eten vindt mama geen goed idee.
Op een gegeven moment stopt ze met vis voor me klaarmaken, maar zo nu en dan moet ik van haar vlees eten. Dat prakt ze in hele kleine stukjes, anders eet ik het niet op. Maar ook dan eet ik het niet zomaar op.
De volgende ochtend brengt ze me niet naar school.
Want ik wil niet.
Elke dag word ik gepest. Ze noemen me Dombo of flapoor. En ik krijg logopedie. Ik praat bijna niet. Ik krijg steeds meer weerzin om naar school te gaan. Dus vandaag houdt mama me thuis.
Onze kat Frits houdt me gezelschap. Hij is wit met zwarte vlekken en al oud. Hij legt vaak dode muizen bij de voordeur. Laatst heeft hij zelfs een Bouvier aangevallen.
Er wordt aangebeld. Mijn vader staat voor de deur. Paul moet ik hem noemen van mama.
‘Je noemt hem niet papa, maar Paul,’ heeft ze een keer nadrukkelijk gezegd.
Dus doe ik dat. Ze laat hem niet binnen, maar ik hoor hem wel. Hij doet raar. Hij brabbelt en praat langzaam. Mama klinkt boos dat hij er is. Het duurt even, maar uiteindelijk stuurt ze hem weg.
Mama moet naar haar schoonmaakhuisje. Ik moet mee, want ze heeft me thuisgehouden van school.
’s Avonds brengt mama me naar bed en leest ze een verhaaltje voor.
De volgende ochtend word ik wakker en zit mijn arm helemaal onder de uitslag. Allemaal door één muggenbult. Mama brengt me naar de dokter en ik krijg een zalfje.
Ik weet niet precies in welke volgorde ik mijn vader die paar keer heb gezien.
Wat ik nog wel weet, is dat Paul me een keer meeneemt naar de stad. Per ongeluk noem ik hem pap en meteen weer Paul.
‘Je mag wel papa zeggen, hoor.’
Ik zeg niks.
‘Kies maar wat uit,’ zegt Paul in een winkel.
Ik kies een blauw joggingpak en schoenen.
Paul stopt alles in een tas. Ik sta er verder niet bij stil, totdat we de uitgang uitlopen.
‘Maar je moet betalen,’ zeg ik.
‘Sst,’ zegt Paul.
We lopen wat sneller door. Thuis vertel ik mama wat er is gebeurd.
Een poosje zie ik Paul niet. Wel stuurt hij kaartjes via de post.
Op een dag wordt er weer aangebeld.
Paul staat weer voor de deur.
Brabbelend.
Dit keer laat mama hem binnen en moet ik naar mijn slaapkamer.
Mama belt Jo. Niet veel later komt ze.
‘O, shit. Belinda is op. Paul, wil je sigaretten halen bij de pomp?’
Even later roept mama me.
‘Jesaja!’ Ik kom naar beneden.
‘Waar is Paul?’ vraag ik.
‘Die is even sigaretten halen voor mama. Wij gaan eventjes naar Jo.’
Ik snap het niet helemaal, maar ik ga mee. Vanaf dat moment zie ik mijn vader niet meer.
Thuis is het mama en ik.
Ik wacht op wat ik te eten krijg. Mama zet een klein kommetje soep voor me neer.
‘Is dat alles?’ vraag ik verbaasd.
Mama wordt ineens heel kwaad. Ze pakt de pan en zet die op tafel.
‘Jij gaat die hele pan soep opeten en eerder ga je niet naar bed!’ schreeuwt ze.
Ik voel van alles, maar weet niet wat het is. Mama let even niet op en ik ga ervandoor. Ik fiets naar Jo, die twee wijken verderop woont.
‘Niet tegen mama zeggen dat ik hier ben,’ zeg ik.
Maar het is al te laat. Mama is er al en ik verstop me onder de eettafel.
Ze is kwaad en neemt me mee naar huis.
De dagen daarna is mama bijna nergens te bekennen. Overdag ligt ze op bed met de slaapkamerdeur op slot. Ik zit in de woonkamer met mijn speelgoed.
Ik schrijf een briefje.
Sorry mama.
Ik schuif het onder haar slaapkamerdeur door.
Een andere keer staat mama in mijn slaapkamer. Ik lig op bed. Ze schreeuwt.
Ze pakt een cassettebandje dat bij een stripboek van Dungeons & Dragons hoort. Ik heb het van mijn broer, zus of mijn vader gekregen. Van wie precies weet ik niet meer.
Ze gooit het op de grond en stampt erop tot het helemaal stuk is.
Ik hoor haar voet op de grond bonken en ze schreeuwt van alles.
Ik zeg niks.
Ik zie en hoor haar nog wel, maar het voelt alsof ik er niet meer helemaal bij ben.
Op een dag staat mijn zus voor de deur. Ik heb haar een poos niet gezien of gehoord.
Mama wil niet opendoen en stuurt mij.
‘Zeg maar dat ik er even niet ben.’ Dus doe ik dat.
Ik kijk er altijd naar uit als mijn zus komt. Ze is lief voor me en heeft aandacht voor me. Maar nu mag ik haar niet binnenlaten.
‘Mama is er niet,’ zeg ik.
Mijn zus kijkt me aan. Volgens mij gelooft ze me niet.
Even is het stil. Dan glimlacht ze zachtjes.
‘Dan ga ik maar weer.’ En ze loopt weg.
Veel van wat ik in die tijd voel, begrijp ik niet.
Maar dit wel.
Ik voel me schuldig.
Hier komt hoofdstuk zeven.
Hier komt hoofdstuk acht.
Hier komt jouw slotwoord.
Misschien is een einde niet altijd een punt. Soms is het alleen de plek waarop je voor het eerst anders naar het verleden kunt kijken.
```